Naar inhoud springen

data

Uit WikiWoordenboek
  • da·ta
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gegevens, feiten’ voor het eerst aangetroffen in 1734 [1]
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum

dedatamv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord datum
     De resterende tijd strooit hij met namen en data alsof het pepernoten zijn.[2]
  2. (informatica) gegevens, informatie
     Pietro heeft andere missies en andere ruimtewandelingen achter de rug, hij heeft tijdens zijn grofweg vierhonderd dagen in de ruimte vele duizenden experimenten uitgevoerd en beziet alles met een zekere nuchtere afstandelijkheid: je voert het experiment uit, je installeert het onderdeel of je verzamelt de data en dan geef je alles door en ga je verder met het volgende.[3]
    • Nadat hij alle data in de computer had ingevoerd kon hij beginnen met de statistische verwerking daarvan. 
     Waar tot een paar jaar terug nog gekeken werd naar Tesla voor de grote innovaties, lijkt de blik nu te zijn gericht naar China. Eerdere zorgen over dat China de data van de auto's zou gebruiken, lijken voor veel consumenten naar de achtergrond te zijn verdwenen.[4]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. "data" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  3. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  4. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron
    Aïda Brands
    “Chinese elektrische auto's booming in Europa ondanks heffingen” (24 april 2025), NOS
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

data

  1. data; gegevens

data

  1. gegevens

data

  1. plat
  • da·ta
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum
Naar frequentie 1678
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   data     m: dataen
o: dataet  
  data     dataene  
genitief   datas     m: dataens
o: dataets  
  datas     dataenes  

data m / o

  1. data, gegevens, personalia
  2. (informatica) data
  3. (afkorting), (verkorting) afkorting voor datateknologi
  • [1]: statistiske data
statistische gegevens

data, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van [[#Noors|]]
  • da·ta
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   data     dataet     data     dataa  

data o

  1. (informatica) data, gegevens, personalia
  2. (informatica) data
  3. (afkorting), (verkorting) afkorting voor datateknologi
  • [1]: tekniske data
technische gegevens

data

  1. verouderde spelling of vorm van dataa tot 2012
(verouderd) bepaalde vorm nominatief meervoud van data, o
  • da·ta

data

  1. (tijdrekening) datum; een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar

data

  1. (informatica) data; gegevens
vervoeging van
datar

data

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar
  • da·ta
  • Afgeleid van het zelfstandige naamwoord datum

data omv

  1. data; gegevens, informatie

data

  1. genitief enkelvoud van datum
  2. nominatief meervoud van datum
  3. accusatief meervoud van datum
  4. vocatief meervoud van datum