Zitbeen
| Zitbeen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Os ischii | ||||
| Bot | ||||
Skelet van het bekken, vooraanzicht 1 = heiligbeen | ||||
| Synoniemen | ||||
| Oudgrieks | ἴσχιον | |||
| ||||
Het zitbeen,[1] os ischii[2] of ischium is bij de mens het bot in het bekken waarop men zit. Het zitbeen vormt samen met het darmbeen, het os ilium en het schaambeen, os pubis, door volledige onderlinge vergroeiing het heupbeen, os coxae. De twee ossa coxarum vormen samen de heup, of het heupbeen.
Het Oudgriekse ἴσχιον, íschion, heeft verschillende betekenissen.[3] Zo werd ἴσχιον gebruikt voor de heup,[3] het heupgewricht[4] en in het meervoud ἴσχια als de spieren rondom de heupen.[3] Bij Aristoteles is ἴσχιον ook het zitvlak.[3] Voor de Griekse arts Galenus was ἴσχιον het zitbeen en niet meer ook het heupbeen.[4]
De meeste Tetrapoda hebben een zitbeen. Het heeft zich bij de vroegste Tetrapoda ontwikkeld uit de pubo-ischiadische beenplaat van basale beenvissen, vermoedelijk als een achterste uitgroeisel van de structuur die het schaambeen zou worden.
- ↑ AJP van den Broek, J van den Boeke en JAJ Barge. Leerboek der beschrijvende ontleedkunde van de mens. Deel I. Geschiedenis der ontleedkunde, bewegingsorganen, vaatstelsel, 1954.
- ↑ (en) Federative Committee on Anatomical Terminology. Terminologia Anatomica, 1998.
- 1 2 3 4 (de) H Triepel. Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache, 1910.
- 1 2 (de) J Hyrtl. Onomatologia Anatomica. Geschichte und Kritik der anatomischen Sprache der Gegenwart, 1880.