Naar inhoud springen

Robertskruid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Robertskruid
Robertskruid
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (planten)
Stam:Embryophyta (landplanten)
Klasse:Spermatopsida (zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:'Nieuwe' tweezaadlobbigen
Clade:Rosiden
Orde:Geraniales
Familie:Geraniaceae (ooievaarsbekfamilie)
Geslacht:Geranium (ooievaarsbek)
Soort
Geranium robertianum
L. (1753)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Robertskruid op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Robertskruid (Geranium robertianum), vroeger ook wel stinkende ooievaarsbek genoemd, is een plantensoort uit de ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae).

De naam robertskruid zou of afgeleid zijn van de kleur rood of van Robert van Molesme die in de elfde eeuw dit kruid als geneesmiddel aanbeval.[1]

Robertskruid is een een- of tweejarige, kruidachtige plant die een hoogte kan bereiken van 50 cm. De 6,5 cm grote bladeren zijn driehoekig, en een of tweemaal geveerd. De drie- tot vijftallige bladeren geven een goed middel om het robertskruid van andere Geranium-soorten te onderscheiden. Op droge ondergrond kleuren de bladeren rood. Ook de stengel kleurt vaak rood.

De plant bloeit van april tot november. De roze (zeer zelden witte) bloemen hebben een doorsnee van 2 cm. De vijf kelkbladen zijn eirond tot langwerpig. De vijf kroonbladen zijn nauwelijks uitgerand. De bloemen zijn tweeslachtig en worden bestoven door onder meer bijen. Het stuifmeel en de helmhokjes hebben een paarse of oranje kleur. De vrucht zou gelijken op de snavel van een kraanvogel (geranos = kraanvogel). De stijlen blijven aan de zaden zitten en geven de vrucht zo een snavelachtige vorm. De vrucht is een kluisvrucht en bevat vijf eenzadige deelvruchtjes. Bij uitdroging van de rijpe vrucht breekt de snavel open en worden de zaden in vijf richtingen geschoten, tot zes meter ver.

Gelijkende taxa

[bewerken | brontekst bewerken]

Robertskruid wordt vooral verward met klein robertskruid (Geranium purpureum). Sommige botanici beschouwen de laatstgenoemde soort als een ondersoort van robertskruid. Klein robertskruid heeft gele helmknoppen en robertskruid roodbruine. Ook zijn de bloemen van klein robertskruid kleiner dan die van robertskruid en hebben ze niet vertakte aders. De kelk van klein robertskruid is rond, die van robertskruid kruikvormig. Bij klein robertskruid ontbreken de lange klierloze haren.

De plant heeft een voorkeur voor beschaduwde plaatsen; men kan hem dan ook vaak langs wandelpaden in loofbossen aantreffen.

Robertskruid bevat tanninen, etherische oliën en geranine. In de kruidengeneeskunde worden alle delen van de plant gebruikt als bloedstelpend en desinfecterend middel. Het kauwen op verse bladeren zou behulpzaam zijn bij genezing van keelontsteking. Een aftreksel ervan vindt toepassing bij nier- en blaasklachten. Vers geplukte en fijngewreven bladeren hebben een speciale geur, op het lichaam gesmeerd zouden ze muggen afstoten.