allen
alleall, everybodytout le mondeвсеtodosόλαвсичкиallekaikkiallaทั้งหมด (ˈɑlə(n))
voornaamwoord alle personen
tous ; toutes (tus, tut) mannelijk-vrouwelijk meervoud Ze gaan allen naar de disco. Ils vont tous à la discothèque. niemand
aucun We spreken geen van allen Hongaars. Aucun de nous ne parle le hongrois. Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.